Op de eilanden van de Falklands kun je maar liefst vijf soorten pinguïns zien. Ze waggelen graag om je heen op hun weg naar de zee of hun kolonie. En als je rustig op de grond gaat zitten komen ze vaak erg dichtbij. Zoek naast de veelvoorkomende Magelhaenpinguïn ook de rotsspringer, koningspinguïn, macaronipinguïn en de ezelspinguïn.

Het hangt van het seizoen af welk gedrag je kunt zien. In het voorjaar zie je veel pinguïns paren, maar ook de hofmakerij en hoe ze op de eieren zitten. Alsook het stelen van steentjes uit andere nesten bijvoorbeeld. In de zomer zie je de jonge dieren, die vaak erg lieflijk zijn. De keuze is aan jou. Je ziet ze het beste op de stranden van de eilanden.

Magelhaenpinguïn

De Magelhaenpinguïn komt in het zuiden van Zuid-Amerika voor, maar ook op de Falklandeilanden. Deze pinguïnsoort lijkt redelijk op de zwartvoetpinguïn, die in Zuidelijk-Afrika leeft. De soort is vernoemd naar de Portugese ontdekkingsreiziger Ferdinand Magellaan. Hij leidde de eerste zeilreis rond de wereld. In september komen de mannetjes het land op om de nesten te bouwen onder de grond of in het boendergras. Meestal worden de eieren al in oktober gelegd, deze komen in november meestal uit. Tot februari brengen ze vol overgave hun jongen groot. Op de Falklandeilanden kom je ze veel tegen en kun je ze van dichtbij bekijken.

Rotsspringer

De rotsspringer is een bijzondere pinguïn. Hij springt graag van rots naar rots, vandaar zijn naam. Biologen hebben inmiddels de soort opgesplitst in twee; een noordelijke en een zuidelijke soort. Met 55 centimeter zijn beide soorten de kleinste pinguïn op de eilanden rond Antarctica. Opmerkelijk is dat deze kleine dieren de meest agressieve van allemaal zijn. Rotsspringers zijn te herkennen aan de roodbruine snavel, de opvallend gele wenkbrauwen en de rode ogen. De Falklandeilanden zijn een goede plek om ze te zien.

Koningspinguïn

De koningspinguïn is opvallend van kleur. Hij lijkt op de keizerspinguïn die op Antarctica voorkomt. Maar zijn ondersnavel is nog meer roze/geel, terwijl de borst feller geel en oranje is. Deze soort is wel kleiner (zo’n 85 centimeter) en de helft lichter (15 kilogram). De veren zijn opvallend van kleur: de schouders zijn zilvergrijs, maar het uiteinde van de rugveren is donkerblauw. Geschat wordt dat er zo’n twee miljoen koningspinguïns op de eilanden rond Antarctica rondlopen. Een deel broedt op de Falklandeilanden en laat zich makkelijk benaderen.

Macaronipinguïn
De macaronipinguïn is niet de bekendste, maar wel één van de meest opvallende pinguïns die er zijn. Macaronipinguïns worden zo’n 70 centimeter groot. Ze zijn zwart/wit, maar op hun kop zitten lange gele wenkbrauwen. Hun naam stamt af van jonge Engelse reizigers uit de 18e eeuw. Om op te scheppen dat ze in het verre Italië geweest waren, kleedden ze zich extravagant. De droegen onder meer hoeden met veren en lieten hun haar verven. Ze werden de ‘macaroni dandy’s’ genoemd, met de pasta als verwijzing naar Italië. Britse poolreizigers moesten bij het zien van een macaronipinguïn meteen aan hen denken. Deze dieren leven vooral van krill en kleine vissen. Macaronipinguïns zijn hoofdzakelijk te vinden op de subantarctische eilanden, waaronder de Falklandeilanden.

Ezelspinguïn
Wie een ezelspinguïn ziet (en hoort) weet waarom de dieren zo heten. Deze pinguïnsoort is eenvoudig te herkennen aan het witte driehoekig vlak tussen de ogen. Verder heeft hij een zwarte rug, zwarte borst, een opvallend koraalrode snavel en gele poten. De ezelspinguïn wordt gemiddeld rond de 80 centimeter groot. Op hun menu staat voornamelijk krill en ze duiken tot wel honderd meter diep ervoor. Ezelspinguïns zijn volgens biologen de snelste zwemmer onder de vogels. Als ze in vorm zijn, halen ze 27 kilometer per uur. Ze leven zowel op de Falklandeilanden als op het Antarctisch schiereiland.